Proza

Mijn moeder en haar zoon

 

omslag van de roman Mijn moeder en haar zoon - Markus van der Graaff
omslag: Nico Richter

In juni 2018 verscheen bij Uitgeverij Wereldbibliotheek mijn debuutroman Mijn moeder en haar zoon. 

Marius Beeke, de verteller van het verhaal, is een eenzelvige jongen die de wereld nieuwsgierig in zich opneemt: de nieuwbouwwijk die om hem heen ontstaat, het rumoerige winkelcentrum, het handjevol mensen dat hem omringt – en vooral zijn moeder. Haar aandeel in het reilen en zeilen van de wereld is volgens haarzelf van onschatbare waarde. Maar ze weet zeker dat Marius haar dankzij haar uitstekende opvoeding later zal overtreffen.
In de tussentijd groeit Marius op in een lichtelijk vervreemdende sfeer. Hij komt zelf niet één keer aan het woord, hij kijkt en luistert terwijl de drang in hem steeds groter wordt om het kwetsbare in de samenleving – vooral zijn moeder – te beschermen.

Fragment:

Na een tijdje keer ik met volle handen en zwembroek terug naar de kwal, die ligt te wachten met één schelp op z’n kop. Voorzichtig beleg ik hem met de nieuwe voorraad schelpen: keurige rijtjes naast elkaar. Ze drijven op de kwal zonder te zinken.
   Plotseling duiken er twee harige benen naast me op.
   ‘Dit is slécht!’ klinkt het in mijn oor.
   ‘Nou, slécht is een groot woord,’ zegt mijn moeder. Ze staat achter me, haar knieën rusten tegen mijn schouders. ‘Overbodig misschien, maar door de ogen van zo’n jongen niet geheel onlogisch.’
   ‘Hoe-bedoel-u?’
   ‘Nou, die ziet zo’n beestje liggen in zijn blootje, kwetsbaar op het strand, blootgesteld aan het gevaar van rennende kinderen, duikende volleyballers en onoplettende vliegeraars, en denkt: hier ligt een taak.’
   ‘Die jongen is hoogstens zes, die denkt dat niet.’
   ‘Deze wel! Deze jongen heeft van jongs af aan al oog voor het fragiele in een onverschillige omgeving, die weet precies hoe teer alles is. Zou u niet blij zijn met zijn beschermende hand?’
Alles aanwezig

In 2013 verscheen er in DW B een kort verhaal getiteld Alles aanwezig. Daarin zijn, in oervorm, Marius en zijn moeder al te herkennen.

Fragment:

’s Ochtends zingt mijn moeder zelfverzonnen liedjes om de dag in gang te zetten. Schrille wijsjes over ezels die grazige heuvelen beklimmen, appels rommelend in hun manden; over boten die op droeve baren slagzij maken, maar niet wensen te vergaan. Nooit wekt ze me rechtstreeks, met een klop op de deur of een hand op mijn schouder. Op haar sloffen sluipt ze door het huis en zingt met hoge trillende uithalen – hysterisch bijna en niet per se zuiver. Hoe langer ik in bed blijf liggen, hoe hoger de uithalen.
   Maar op een ochtend staat ze zwijgend in mijn kamer met twee kaplaarzen in haar hand. Lokkend zwaaien ze heen en weer.
   ‘Trek aan, ik ga je iets laten zien.’

Heel het aardsche lichaam oestert

In 2012 debuteerde ik met Heel het aardsche lichaam oestert in DW B. Het is een collage van korte prozateksten die over de beknelling van het lichaam gaan – en een ontsnapping daaruit.

Fragment:

Pompoenen en Absoluut Zwart uit Afrika. Giuseppe Penone kweekte een pompoen in een afgietsel van zijn gezicht. Het vruchtvlees schikte zich naar de mal en nam de gelaatstrekken van de kunstenaar aan. In wurggreep goot hij zijn hand af in brons, plaatste hem op de stam van een jonge boom, die normaal verder kon leven, steeds dikker wordend, behalve op de plaats waar het kunstwerk hem kerkert en hem door zijn natuurlijke groei wurgt. Penone omhelsde andere bomen, bond prikkeldraad op de plekken waar hij de stam raakte; hij viel in bladeren en aarde om er een afdruk in achter te laten. Het zijn agressieve handelingen: inbreuken op de integriteit van een ander lichaam.
   Toch wordt zijn werk niet beheerst door de angst dat de mens op de natuur geen enkele indruk nalaat en dat die natuur zich in een posthumaan tijdperk de menselijke aanwezigheid niet meer zal herinneren – dat het de taak van de kunstenaar zou zijn om haar een antropomorfe voorstelling op te leggen.
   Penone gaat dieper en onderschrijft Broodthaers’ observatie dat elk object het slachtoffer is van zijn eigen aard, en meer nog: van zijn eigen vorm. Met zijn kunst probeert hij de grenzen tussen de dingen op te heffen door hun randen krachtig op elkaar te drukken en de contouren in elkaar te wrijven: met geweld hun gedwongen autonomie teniet te doen om ze tot een versmelting te dwingen.

Vingeroefeningen

In 2011 werd een prozagedicht opgenomen in Oog in oog. Dichters in de Prinsentuin.

OEFENING

Alleen met hele dunne vingers, met pincetnagels scherper dan van katten, kun je de dingen in hun nekvel pakken – bij de uiterste rand waar ze zich overgeven en niet precies meer weten wat te zijn: lucht of lichaam. Bijna zonder aanraken kun je ze daar optillen.

Alle dingen ontstaan vanuit het midden. Ieder moment groeien ze tot de randen weer aan, bouwen zichzelf in een pulserende beweging vanuit het hart weer op, onzichtbaar voor het menselijk oog, maar katten zitten er altijd naar te kijken.

Kon je, zoals zij, turen zonder je ogen te sluiten, dan zag je dat de wereld knippert – steeds opnieuw ontstaat, verdwijnt, verschijnt. Beheerste je het flikkeren van je eigen lichaam, dan stak je je afwezige hand in de leegte, in het gat waar de wereld net nog was en terug zal keren om er in op te gaan.

 

Tussen 2009 en 2011 publiceerde ik vier korte prozateksten met tekeningen in Decreet. Dit was er een van:

LEGE HANDEN

Op mijn zesde verjaardag werd ik naar de staart van de karavaan gebracht. Ik kwam daar onder de hoede van een man die belast was met het opbreken van het kamp en het uitwissen van de sporen.       
   Het was een stiekeme oude baas. Aan de vooravond van vertrek zette hij gecompliceerde speurtochten uit voor alle leden van de stam, zodat hij zich ongestoord door het kamp kon bewegen. Ik leerde het vak door me onzichtbaar te maken en hem op zijn wonderlijke tochten te volgen. In eerste instantie leek hij altijd alleen wat rond te lopen, hier en daar iets aan te raken en de binnen- en buitenkant van een tent te inspecteren. Soms zat hij minutenlang op zijn hurken naar een stapel potten en pannen te kijken, dan raapte hij plotseling wat op en begon aan een trefzekere dans door het kamp. Hier plaatste hij iets in het ene, daar gleed iets in het andere. Hij trok wat lijnen los en met een zucht ontspanden de tenten zich. Aan het eind van de dag was alles in minuscule bundels op de lastdieren gebonden.
   Na verloop van tijd kreeg hij waardering voor mijn zwijgzame gezelschap en begon hij me te onderwijzen. Hij leerde me de techniek van het wandelen in de dingen. Adem in, zei hij, en bekijk zelfs de kleinste dingen als plekken. Concentreer je, verklein je geest tot hun formaat en wandel tussen hun vormen, dan vind je altijd ruimte om nog iets op te bergen. Adem uit en zie dat het hele kamp een ding is – bindt het op een lastdier.
   Zes jaar lang ben ik met hem opgetrokken, toen verdween hij en was het mijn beurt. Al snel bleek ik talent te hebben. Het lukte me om de spullen in steeds kleinere bundels te verpakken, waardoor we lichter en dus sneller konden reizen. Ik bestudeerde de wijze waarop de mensen met hun spullen omgingen. Toen ik het pad van alle dingen door ons kamp kon voorspellen, begon ik al met inpakken voor we vertrokken. Ik nestelde me in de kop van de karavaan.
   Daar verfijnde ik de techniek van het wandelen door me steeds kleiner te maken. Ik verdwaalde tussen de binnen- en de buitenkanten van de dingen tot ik me zo klein kon maken dat ik zag dat ze eigenlijk geen randen hebben. De harde buitenkanten bleken poreus en begaanbaar. Ik bewoog me door het gewoel van de materie en de ruimte vergrootte zich. Niet langer verborg ik iets onder de dunne rand van een kom of in de opening tussen het oor en de pot; ik schoof de dingen in elkaar, borg het hele kamp op in de punt van een naald. We hielden lastdieren over die we verkochten.
   De mensen begonnen te klagen dat we verdwenen. Het opruimen en inpakken had zo’n snelheid aangenomen dat ik een leegte om hen heen had geschapen. De spullen waar ze zich gewoonlijk mee omringden, waar ze zich aan vastklampten en een identiteit aan ontleenden, leken in die versnelde cyclus en in elkaar op te lossen. We hadden de essentie bereikt; altijd in beweging, zonder begin en eind en zonder sporen na te laten.
   Ik werd verbannen naar de staart. De mensen begonnen zelf hun spullen weer in te pakken en de karavaan groeide. Gelaten liet ik me steeds verder afzakken.
   Nu reis ik alleen in de sporen van mijn stam. In de verte kan ik ze horen en ik luister naar hun verhalen. De bijzonderheden verwaaien, maar wat me bereikt dikt zich in tot een pit in mijn gedachten.